• Alle prijzen inclusief BTW
  • Gratis bezorging boven € 60
  • Ruim assortiment
  • Scholen op rekening
Winkelmandje 0 producten
Inhoud winkelmandje
Totaal: € 0,00 incl. BTW
Bestellen

Futuretalk

Docenten en TOA’s hebben dagelijks te maken met de veranderingen in het onderwijs en de samenleving. Hoe gaan zijn hier mee om?
| 31 augustus 2020
Futuretalk
Futuretalk

Guus Mulder, 1ste graads docent Natuur- en scheikunde, voorvechter van verandering, geeft hier zijn visie op.

Het onderwijs in Nederland staat, in vergelijking met andere Europese landen en zeker in vergelijking met de rest van de wereld, niet slecht aangeschreven. Niettemin wordt er door zowel onderwijs-gevers als onderwijs-ontvangers veel geklaagd. Daar wringt en schuurt iets. Ik denk dat daar een aantal redenen voor aan te wijzen is.

De eerste is dat het huidige systeem van onderwijs organiseren niet meer past bij de eisen en wensen van de huidige tijd. De organisatie is nog die uit de 19e eeuw: een grote groep kinderen of pubers in bus-opstelling in een lokaal en de leraar vertelt en doet voor wat ze moeten weten en kunnen. En die kinderen of pubers worden geacht allemaal tegelijk op dat moment toe te zijn aan dat wat de leraar vertelt en doet. Mij komt het voor als een “intensieve leerlinghouderij” waartegen menige dierenliefhebber in opstand zou moeten komen. Het is een vorm van gedwongen socialisatie die paste in een tijdsgewricht waarin grote groepen mensen in korte tijd een aantal elementaire vaardigheden als lezen, schrijven en rekenen bijgebracht moest worden met als doel economische ontwikkeling. 

Niks mis mee. Toen.
Nu is dat anders.


Nu zitten we als samenleving niet zozeer onderaan als wel bovenin de Pyramide van Maslow: de ontwikkeling van vaardigheden om te kunnen blijven leren en daarmee zelfontplooiing te bereiken is veel meer het doel van onderwijs geworden. De route daar naar toe loopt nog steeds via, in de basis, leren lezen, schrijven en rekenen met in het vervolg daarvan nog veel meer, maar daarmee houdt het zeker niet meer op.

Bovendien is de wijze waarop er wordt geleerd, meer nog het ontdekken door de leerling zelf welke wijze van leren hem of haar het beste past, onder welke omstandigheden en onder welke vooraarden leren het beste kan plaatsvinden, doel van het onderwijs geworden om daarmee het heilig verklaarde “levenslang leren” mogelijk en aantrekkelijk te maken.

Een paradigmashift in het onderwijs is daarvoor noodzakelijk: de belangrijkste actoren zijn leraar en leerling die in gezamenlijkheid op zoek gaan naar wat wanneer op welke wijze en met welk doel geleerd gaat worden. Een keurslijf van protocollen, syllabi, lesroosters, lessentabellen en rigide afvink-lijsten past daar niet bij. Dat betekent niet dat er geen verantwoording moet worden afgelegd. Maar daar moeten wel de juiste en zinnige indicatoren voor worden gebruikt. Nu wordt niet gemeten wat belangrijk is, maar wordt belangrijk gevonden wat te meten is: opstroomcijfers, afstroomcijfers, doorstroomcijfers, slagingspercentages, overgangspercentages, enz. als het maar te meten is en in een getal uit te drukken. De “output” kan gemeten worden dus die wordt belangrijk gevonden; de “outcome” kan niet gemeten worden en die wordt dus niet belangrijk gevonden. Het inzicht dat de vigerende exercitie van kwaliteit meten zinloos is, erger nog: kostbare tijd en energie van onderwijsgevenden kost die beter aan de leerlingen besteed kan worden, is nog niet tot iedereen doorgedrongen.

Het BiNaSk onderwijs zou een belangrijke eerste stap kunnen zetten in die 
verandering. 


Waar vroeger een automonteur werd opgeleid om te sleutelen aan auto’s en (basis-)kennis moest hebben van verbrandingsmotoren en -technologie alsmede van elektrische circuits en liefst ook nog van wat mechanica, daar moet hij nu weten hoe de gegevens die de boordcomputer van een elektrische auto hem geeft over het gedrag van de vermogenselektronica en brandstofcel te interpreteren en hoe daarop te reageren. Die gegevens zijn tot hem gekomen via het internet-of-things.
En het zijn veel, heel veel gegevens: big data!
En om die gegevens uit de boordcomputer te beoordelen, moet hij meer dan basiskennis hebben van elektriciteit en chemie en mechanica. Die behoefte daaraan heeft hij zelf ontwikkeld en gevoeld door zichzelf de vraag te leren stellen: “Wat ik heb nodig om de prestaties van die elektrische auto te beoordelen en er een zinnige actie op te laten volgen?” Bij het proces van het beantwoorden van die vraag heeft hij zelf de leiding maar, of liever gezegd: “en”, de docent staat klaar om hem te coachen en te helpen. 

In het BiNaSk-onderwijs moeten de middelen beschikbaar zijn om de vaardigheden die nodig zijn voor het stellen van de juiste vragen en het vervolgens beantwoorden van die vragen, te leren. Het gaat dan over het gebruik van sensoren, (computer-)modellen, apparatuur als Arduino’s, 3D-printers, enz.

De boeken, meer in het algemeen de theorie, kan de leerling, samen met de docent, prima zelf vinden en maken: Google is je beste vriend. Met dat alles maakt de leerling (de middelen voor) zijn eigen onderwijs.

Toekomst-muziek?
Ja, en ik vind het goed klinken.

 



Dit artikel komt uit ons Science Magazine van mei 2020. Meer leuke artikelen lezen, vraag het magazine hier aan.